Harald Merckelbach, ontmaskeraar 

Sterke verhalen overtuigen ons

Gage‘Goede verhalen zijn zelden waar – waarom we ze toch vaak geloven (en doorvertellen)’ is een even vermakelijk en leerzaam boek in deze tijd met een vruchtbare bodem voor verzinsels.

Gelezen: Goede verhalen zijn zelden waar

Phineas Gage was in september 1848 bij de aanleg van een spoorweg in Vermont (VS) een springlading aan het monteren, toen die vroegtijdig afging. Een ijzeren stang schoot letterlijk door zijn hersenen waarna de beschadigde prefrontale cortex (pfc) geleid zou hebben tot asociaal gedrag.

Dat schrijft althans neurowetenschapper Dick Swaab in zijn veel geprezen bestseller Wij zijn ons brein (2010): ‘Hoewel er een halve theekop hersenweefsel van hem op de grond lekte, overleefde hij dit, en bleef zelfs bij bewustzijn. Maar hij onderging sterke persoonlijkheidsveranderingen. Hij werd grof en grillig, wars van conventies, werd een vechtersbaas, verloor zijn sterke verantwoordelijkheidsgevoel en werd ontslagen. Gage was Gage niet meer, want de pfc zorgt ervoor dat je je als een sociaal aangepast persoon gedraagt.’

Harald Merckelbach stuitte op de ontmaskering van deze wetenschappelijke opvatting door een Australische psycholoog die in zestig leerboeken psychologie analyseerde wat ze schreven over Phineas Gage (foto). Het merendeel maakte inderdaad melding van het geval. Bijna altijd werd het verschil tussen de Gage van voor en die van na het ongeval zwaar aangezet met de doorboring van de hersenpan als oorzaak. Echter, in de opgeschreven bevindingen van de behandelend arts van Gage is weinig tot niets te vinden over gewelddadig of ander asociaal gedrag en gebrek aan verantwoordelijkheidszin. Een andere arts beschreef Gage als een man zonder ‘psychisch mankement’. Broodje aap dus.

‘Overtuigende’ Swaab

Merckelbach over Dick Swaab: ‘Zijn verhaal over Phineas Gage is zo levendig dat je bijna zou denken dat Swaab diens persoonlijkheidsverandering met eigen ogen heeft waargenomen. Dat verleent grote overtuigingskracht aan zijn verhaal. Zo ga je als vanzelf geloven dat Phineas Gage een aanschouwelijk voorbeeld is van hoe schade aan de voorste hersendelen kan leiden tot persoonlijkheidsveranderingen die zo ingrijpend zijn dat ze de patiënt aan de rand van de maatschappelijke afgrond brengen…

…Een goed verhaal vergt stilering en daarin schuilt een gevaar, namelijk dat de gevalsbeschrijving gefictionaliseerd raakt. Dat is wat er gebeurde met het geval van Phineas Gage. We weten niet of er een theekopje hersenweefsel weglekte uit het brein van Gage, zoals Swaab beweert. Evenmin is er enige reden om te veronderstellen dat Gage zich ontwikkelde tot een querulant, beroepsoplichter, vechtersbaas, drankorgel en/of bordeelsluiper, zoals Swaab en andere auteurs – ieder zo met hun eigen accenten – hebben gesuggereerd.’

Exit Swaab, in wat wellicht het beste verhaal uit genoemd boek is; in elk geval een ontmaskering die ik niet snel zal vergeten. Wel jammer dat Merckelbach zijn bron niet even noemt in het verhaal. Dat was Malcolm Macmillan en zijn bevindingen werden mondiaal bekend via Slate en dat haal ik van een uitstekende website over het geval-Gage. Merckelbach noemt zijn bronnen pas achterin het boek, wat er mede toe bijdraagt dat de verhalen zelf soms niet meer dan anekdotes lijken.

Ironie of sarcasme

Ook vraag ik me af hij er goed aan doet om onderwerpen als de persoonlijkheid van Adolf Hitler, complexe kwesties waarover boeken vol geschreven, in een paar pagina’s af te doen. Soms zijn kwesties, zoals de hinder van laagfrequent geluid die sommige mensen zeggen te ondervinden, nog beperkt onderzocht.

Ook zit zijn natuurlijke sarcasme hem in de weg, maar met het klimmen der jaren wint ironie als stijlvorm. Dat leest prettiger dan de snoeiharde oordelen die hij zijn dwalende slachtoffers vaak gunt. Ofschoon namen van de fantaserende en dwalende boosdoeners dan helaas weer ontbreken, zo nieuwsgierig ben ik ook wel.

Dit zijn mineure punten van kritiek op een wederom fantastisch boek van Harald Merckelbach, een van m’n favoriete Nederlandse wetenschappers. Hij verdient met zijn scherpe observaties een groter podium dan een maandelijkse column in NRC, waarvan er overigens een aantal in het boek staat.

Parapsychologie, bijgeloof (‘quirkologie’ volgens Richard Wiseman, zie ook YouTube-kanaal), valse diagnostiek, mentale valkuilen, medische fantasiewetenschap, ‘DNA-cowboys’ en onterecht ingezette voorspellende psychologie moeten eraan geloven. Het sterkst is rechtspsycholoog Merckelbach op zijn eigen terrein, met een overtuigende serie over juridische dwaalwegen. Die hij besluit met de prachtige verhaaltitel ‘Liever rechters zonder overtuiging’. Merckelbach biedt verplicht leesvoer voor elk beroepsgroep die pretendeert de waarheid te zoeken of deze zelfs te bezorgen.

Kinderen mediawijs maken

Sterk vind ik dat Merckelbach, met weinig anderen helaas nog, goed onderkent dat er onder het volk een grote behoefte bestaat aan nepnieuws. We zwelgen erin. Zijn even bondige als krachtige slotpleidooi voor het onderwijzen van kinderen in het onderscheid tussen waarheid en verzinsel is me uit het hart gegrepen.

Je moet het probleem van nepnieuws aanpakken aan de vraagzijde, al zou het kunnen zijn dat ook het kennen van de waarheid het verschil niet maakt. Zo heeft de aanhang van de Amerikaanse president weet van zijn veelvuldige leugens, het is wel ‘hun leugenaar’ en ze voelt elke ontmaskering zo ongeveer als een persoonlijke aanval. Daar zou ik met Harald Merckelbach nog wel eens over in debat willen: hoe moet journalistiek daarmee omgaan? Biedt het verplichten van Twitter en Facebook om te filteren, zoals hij ook voorstelt, werkelijk soelaas?

Reageer op dit artikel:

*

*

Uw e-mail adres wordt niet gepubliceerd en niet aan derden verstrekt.

Omgangsvormen